Informatica

Liniaal in Word

Onder de twee werkbalken heb je de liniaal. Het is een balk met een maatverdeling, waarop tabs, alinea-inspringingen en marges worden aangegeven voor de alinea waarin de cursor staat.

Om het liniaal op het scherm te krijgen:

Op de volgende pagina’s worden de verschillende elementen die op het werkscherm te zien overlopen.

Ontdek meer artikels over Informatica.

Menubalk

Op deze balk krijg je de namen van de menu’s van Word. Bij elk van deze namen heb je een afrolmenu waarin je alle mogelijke bewerkingen kunt uitvoeren. Daarbij heeft elk afrolmenu verschillende mogelijkheden nl: Optie V: deze optie is momenteel actief

Optie: deze optie kan toegepast worden
Optie … : indien je voor deze optie kiest krijg je een dialoogvenster waarin je gebruik kunt maken van verschillende mogelijkheden
Optie gecombineerd met sneltoetscombinatie: in plaats van gebruik te maken van het afrol menu kun je gebruik maaken van toetsencombinatie
Optie grijs: je kan onmogelijk deze optie gebruiken

Vervolgens links van de menubalk heb je weer een blokje en dit geeft het systeemmenu aan van het document dat zich op het werkscherm bevindt en niet van het hele programma. Volledig rechts kun je je schermvenster vergroten of verkleinen. De titel- en menubalk komen voor in ieder Windows-programma.

Op de volgende pagina’s worden de verschillende elementen die op het werkscherm te zien overlopen.

Ontdek meer artikels over Informatica.

Schuifbalken

Langs de rechterzijkant en de onderkant van de werkruimte lopen schuifbalken. Met de hulp van de muis kun je op een vlugge manier door het document lopen. Via de vertikale schuifbalk kun je door middel van de pijltjes één regel omhoog of omlaag of een scherm omhoog of omlaag gaan. Met de pijltjes van de horizontale schuifbalk verplaats je je doorheen het document.

Aan het linkeruiteinde van de horizontale schuifbalk heb je 3 drukknopjes zodat je het document op verschillende manieren op het scherm kunt laten weergeven.

Op de volgende pagina’s worden de verschillende elementen die op het werkscherm te zien overlopen.

Ontdek meer artikels over Informatica.

Statusbalk

Onderaan het scherm heb je de statusbalk. Hier kun je precies nagaan waar je je bevindt in het document en welke bijzondere toetsenbordfuncties actief zijn. Je kunt via de balk opdrachten weergeven.

Gaande van links naar rechts:
Pg: Is handig om te weten hoe groot het document is indien je met een ander paginanummering begint
Se: Het nummer van de sectie wordt weergegeven waarin de cursor staat.
6/22: Dit is uiteraard een voorbeeld. Het eerste getal geeft weer op welke bladzijde de cursor zich bevindt, het tweede getal geeft de grootte van het document aan. NI: Het document bevat 22 bladzijden en momenteel bevindt de cursor zich op de 6de bladzijde.
Op: Geeft de afstand van de bovenkant van het blad tot de plaats waar de cursor zich bevindt.
Rg n: De n wordt uiteraard voorgesteld door een getal en geeft aan op de hoeveelste regel de cursor staat.
Ka n: De n geeft een getal weer. Hier wordt het aantal tekens weergegeven van de linkermarge van het blad.
n: De n geeft de tijd weer volgens de systeemklok van de computer.
De vijf vakjes volledig rechts vertellen je iets over speciale functies. Je kunt deze in- of uitschakelen. Zijn deze echter grijs dan kun je ze niet activeren. Zijn deze zwart, dan is de desbetreffende functie actief:
OPN: Er wordt een macro opgenomen.
MRK: De functie Revisies tijdens markeren is actief
UIT: De functie uitbreiden is actief.
OVR: De functie Overschrijven is actief.
WPH: WordPerfect-Help is actief. Je kan op elk moment om hulp vragen.
Om deze functies te activeren of te deactiveren, hoef je enkel in het betreffende vakje te klikken.
Verder wordt in de statusbalk informatie gegeven op het moment dat je een opdracht kiest.

Opmerking:
Verder kan je ook gebruik maken van snelmenu’s. Dit zijn contextgevoelige menu’s die betrekking hebben op een geselecteerde stukje tekst of op een bepaalde plaats waar de cursor staat: Bijv. tabel, figuur, veel voorkomende opdrachten in tekstgedeelte.

Je gaat als volgt tewerk:

Op de volgende pagina’s worden de verschillende elementen die op het werkscherm te zien overlopen.

Ontdek meer artikels over Informatica.

Titelbalk

In de bovenste regel in Word heb je de titelbalk waarin de naam van het programma en de naam van het document wordt vermeld. In de linkerhoek bevindt zich een blokje. Dit is het Windows-systeemmenu dat toegang geeft tot algemene Windows-functies. Bv. je kunt je document omvormen tot een pictogram of het afsluiten en overgaan naar een ander programma.

Rechts heb je 2 blokjes. Het pijltje naar beneden reduceert het document tot een pictogram. Door gebruik te maken van het pijltje naar omhoog kun je het werkvenster schermgroot maken of verkleinen.

Op de volgende pagina’s worden de verschillende elementen die op het werkscherm te zien overlopen.

Ontdek meer artikels over Informatica.

Werkbalken in Word

De derde regel of bovenste werkbalk wordt de Standaardwerkbalk genoemd. Deze bevat voornamelijk drukknoppen waarmee je veel voorkomende opdrachten kunt laten uitvoeren. Met één van deze 22 knoppen kan je met een eenvoudige muisklik op een vlugge manier een bepaalde functie activeren. Indien de muisaanwijzer rust op één van die 22 knoppen, krijg je een korte omschrijving juist onder de knop. Dit klein kadertje geeft de naam van de functie weer en wordt tevens de knopinfo genoemd.

De onderste werkbalk wordt de Werkbalk Opmaak genoemd. De knoppen vertonen verborgen functies die meer betrekking hebben op de opmaak van de tekst. Dezelfde functies kun je kiezen uit het menu, maar met een eenvoudige muisklik gaat dit uiteraard veel sneller. Je kunt het lettertype wijzigen of gebruik maken van vetjes, onderstrepen enz …. Tevens is de knopinfo aanwezig.

De werkbalk Standaard en Opmaak worden steeds standaard weergegeven Buiten de Standaard werkbalk zijn er nog een hele reeks andere werkbalken (± 13) die gericht zijn op een specifiek soort taken. Je kunt deze allemaal tegelijjkertijd op het scherm weergeven maar dit is niet handig, er blijft dan wel weinig ruimte over om te werken. Het is dan ook beter de werkbalken enkel op te roepen wanneer je ze nodig hebt.

Bijvoorbeeld:

Indien je begint aan de samenvoegprocedure, dan verschijnt een balk met de nodige functies. Je hebt ook de mogelijkheid om alle werkbalken naar eigen inzicht uit te breiden, in te korten of een andere indeling te geven:

Standaard: Bevat de veel voorkomende algemene opdrachten
Opmaak: Bevat de opmaakopdrachten wat betreft de tekst
Randopmaak: Bevat de opdrachten voor het maken van kaders en randen
Database: Bevat de opdrachten van lange tabellen die als database dienen
Tekenen: Hierin kun je opdrachten doorgeven voor het maken en bewerken van tekeningen in een document.

Of:

Je kan ook gebruik maken van het snelmenu om de werkbalken aan- of uit te zetten

Op de volgende pagina’s worden de verschillende elementen die op het werkscherm te zien overlopen.

Ontdek meer artikels over Informatica.

« Meer artikelen

Geen artikelen meer